Herinneringen van Bertus Timmerman

Pas op 79-jarige leeftijd heeft Albertus (Bertus) Timmerman zijn herinneringen op papier gezet. Dit dagboek is afkomstig van de Gedenkstätte Ahlem en is gedigitaliseerd door Ynze van der Laan.

“Nooit meer oorlog, want zoiets is onmenselijk”

Ik ben maar een klein radertje in het verzet geweest, maar ik heb dit op 79-jarige leeftijd opgeschreven. Ik weet alles nog precies, maar ik moet me verontschuldigen voor taal- en tikfouten, die hier instaan, maar dit moest ik nog doen. Ik hoop dat er nooit weer oorlog zal komen, want zoiets is iets onmenselijk.

Ja, het begon in 1938, eigenlijk al veel eerder, maar dat merkten we niet. De NSB was in opkomst. Het waren slechte tijden en zodoende werden veel mensen overgehaald om lid te worden van deze organisatie en een voorbeeld te namen aan onze oosterburen, waar Hitler in opkomst was. Het was de tijd van de werkverschaffing met z’n loontjes van ongeveer 12 gulden in de week. Veel mensen dachten het kan toch niet slechter en sloten zich aan bij de Nationale Sociale Beweging. Maar het overgrote deel van het Nederlandse volk zag dit met lede ogen aan, Wij lazen in die tijd “Vrijheid Arbeid Brood”, een tijdschrift dat in die tijd door de SDAP werd uitgegeven en waarin de gruwelen, die in Duitsland begaan werden, uitvoerig werden beschreven en met foto’s werden toegelicht. De vrouw zei wel eens doe dat blad toch weg, het bloed druipt er van af. Ze meende, dat dat niet door de mensen gedaan kon worden, maar het was wel waar, vooral de Joden moesten het ontgelden maar ook de mensen, die anders dachten dan de beulen, werden in kampen opgesloten.

En toch ging in ons land de NSB vooruit en werden ze steeds brutaler. Ze richtten de Landwacht op, ze liepen in uniform en er waren vaak gewapende groepen. En in Duitsland zat Hitler niet stil, hij bracht een enorm leger op de been en trok daarmee over de grens. Oostenrijk, Tsjechoslowakije en Polen waren het eerst aan de beurt en de dictator Mussolini in Italie begon ook in actie te komen en wierp begerige blikken naar de overkant van de Middellandse Zee. Eerst dachten sommige mensen nog, dat wij, evenals in de vorige oorlog, nog neutraal zouden blijven, maar op de 10e mei 1940 werden wij wel anders gewaar!

Vaak geholpen door de NSB, Duitse parachutisten hadden zich op alle mogelijke manieren vermomd, zelfs als verpleegsters, en in Hollandse uniformen kwamen ze naar beneden en toen werd Rotterdam gebombardeerd. Het bleek toen wel, dat we ons moesten overgeven, want de eis was overgave en anders zouden al onze grote steden worden platgegooid. Die nog kans zag, vluchtte naar Engeland, zo ook de onze koningin met een gedeelte van onze regering. Sommige mensen vonden dit niet goed, maar het bleek later dat het beter was, dan dat ze door de Duitsers gevangen waren genomen.

Eerst waren de bezetters nogal een beetje gemoedelijk, maar later met de steun van de NSB werd dat gauw anders. Vooral de Joden kwamen in de verdrukking, eerst moesten ze uit alle overheidsbetrekkingen en hun winkels werden geplunderd en vernield. Die vluchten kon, vluchtte, maar er waren ook Joden, die meenden, dat het nog wel wat mee kon vallen, maar dit bleek later een illusie te zijn.

In de illegaliteit

Nu komt het verzet van grote groepen Nederlanders en daardoor kwam ik in de illegaliteit.
Er werd ons gevraagd, of we een plaatsje hadden voor twee Joden, jonge mensen die pas getrouwd waren. We konden ze zelf niet in ons huisje hebben, maar bakker Nijholt was wel genegen om ze onderdak te verlenen. Hij woonde over de Wetering en hij kon de vergoeding ook wel gebruiken. Op een donkere avond ging ik met de punter het Steenwijkerdiep op, ze zouden met de vrachtwagen een eind vanaf Steenwijk gebracht worden. Ik ging met de punter aan de overkant van het Diep liggen onder overhangende struiken, maar op de afgesproken tijd was er nog niets te bekennen. In de enkele huisjes, die aan het Diep staan, gingen de lichten uit en het begon me te vervelen en ik werd ook koud, ik besloot het maar te wagen en naar de overkant te varen. Hier lag ik ook tamelijk goed verborgen onder het riet. Om de kou te verdrijven ging ik maar eens op het fietspad heen en weer lopen en ineens hoorde ik wat, dan denk je natuurlijk ook aan de Landwacht, en ik zag een betonnen put in het land staan. Deze werd door de boeren gebruikt om er voor het vee water in te scheppen. Er stond gelukkig geen water in, zodat ik niet nat werd, en ja hoor ik hoorde stemmen en naar ik meende ook een vrouwenstem. Toen ze naast me waren, kwam ik tevoorschijn met mijn hoofd boven de rand en ik riep toen direct maar Timmerman, want die mensen schrokken natuurlijk geweldig. Ik wilde ze dan ook gauw inde punter laden, maar toen kwamen vader en moeder ook nog, zodat Nijholt vier onderduikers kreeg. Toen maar gauw teruggevaren en terug naar huis, waar de vrouw ook al in ongerustheid zat. Je moet altijd rekenen dat op het helpen van Joden de doodstraf stond. Deze mensen hebben we altijd bijgestaan en als het een donkere avond was, haalde ik ze met de punter over om een avondje bij ons op de koffie te komen.

Ja, we noemden het koffie, maar het was meestal surrogaat. Meestal gingen ze meer een paar boeken van ons weer naar het onderduikadres. Op een dag kreeg ik een briefje, of ik bij hun wou komen en er was weer grote zwarigheid, wat was het geval, de jonge vrouw was zwanger en dat konden we nu juist niet bij hebben, want in de buurt werd ook al gepraat en de bakker had een paar buren, waar hij niet zo erg goed mee op kon schieten, dat kon gevaarlijk worden vooral met wasgoed aan de lijn. Ik heb toen gezegd, dat het kindje maar niet komen moest en dat het beter was om een dokter proberen te vinden, die de abortus uit wou voeren. Ik vond mezelf hardvochtig, maar we leefden in een bange tijd en dan kun je je gevoel niet laten spreken. Eerst konden ze me de toezegging nog niet geven, maar de andere morgen kreeg ik een briefje, dat ik gelijk had en maar doen moest, wat mij het beste leek. Ik ben dan op de fiets gestapt en heb geprobeerd een dokter te vinden, die dit wou doen, maar ze durfden het niet aan. Een dokter was bang voor infectie, maar ik heb hem gezegd, dat hij daar niet bang voor behoefde te zijn, daar de man zelf ook dokter was en zij verpleegster, afijn het ging niet door. Die avond heb ik hun dit verteld en we zeiden, laten we optimist blijven, Mussolini heeft nu gecapituleerd en als we een maand of acht verder zijn, misschien is de oorlog dan ook wel voorbij. Maar de oorlog ging niet voorbij, hij ging nog in volle hevigheid verder en het groeide bij moeder, daar moest wat op gevonden worden.

Onderduikers

Door middel van mevrouw Van Stapele was in Meppel een adres gevonden. Mijn vrouw heeft haar op de fiets naar Meppel gebracht zonder ongelukken en daar is het kindje ook geboren. Toen de jonge vrouw weg was, konden de overige drie het ook niet meer bij de bakker uithouden en daar moesten we ook weer wat voor vinden. Met vriend Lucas hebben we de oude mensen door de trekgaten naar Lammert Muis gebracht, die woonde een eind verder de Wetering op. Goede mensen, maar bij een inval van de Landwacht is de oude man meegenomen, de vrouw, die inmiddels bijna blind was, hebben ze achtergelaten. Muis en de oude man zijn gevangen genomen. De man is in Leeuwarden op de Harlingerstraat doodgeschoten, Muis kwam ook in de gevangenis terecht.

De onderduikers kwamen ook geregeld naar de Wetering en daar moesten wij dan ook naar een adres voor bij de boeren zoeken. Nu was het een geluk, dat er niet veel foute mensen bij ons woonden. Wel werd er soms te veel gepraat en lekte er wel eens wat uit en er waren ook goede en minder goede onderduikers, die dan ook een gevaar voor de anderen opleverden. Meestal brachten we ze ’s avonds weg meestal met een bootje door de trekgaten. Vooral Nederland, een gehucht tussen Wetering en de oude zeedijk, was een goed doorgangspunt. Kameraad Lucas, een ondergedoken student, was meestal van de partij bij de reisjes. Soms waren er ook nog wel eens humoristische ogenblikken en hebben we wel eens hartelijk gelachen, zoals toen.

Bij m’n broer in het dorpje Muggenbeet was een Joods meisje ondergedoken en daar m’n schoonzus erg zenuwachtig was en het meisje ook niet een van de gemakkelijkste soort was, werd besloten om haar naar Steenwijk te brengen, waar ze familie had, die een ander adres voor haar zouden zoeken. Maar, wat was het geval, in de vaarten lag een dikke laag ijs. Ik vroeg haar nog of ze kon rijden, maar dat was niet veel, maar we besloten om het toch maar wagen, als ze dan op de schaatsen kon staan tussen ons in en dan zouden we wel in Steenwijk komen. Dit alles moest in de late avond gebeuren. M’n broer kwam dan met haar bij ons aan, maar hij was helemaal overstuur, want ze kon helemaal nog niet eens op de schaatsen staan. Wij hebben het met z’n beiden geprobeerd, maar we waren nog maar een klein eindje het Diep op, toen ons bleek dat het een hopeloos geval was. Wat nu gedaan, ik ben terug gereden en heb bij de buren een slee gepakt, we hebben haar wat ingepakt en toen maar rijden. We waren een eind weg en toen zegt ze moet je horen Bertus, nu zit opoe ook nog bij me op de slee. Maar we hebben haar veilig bij de Vrome in huis afgeleverd en de terugtocht was ook zonder ongelukken.

Soms kwamen de Landwachters ’s avonds bij ons langs, ze belden dan, want ik moest ze met de pont overhalen. Ik wachtte dan net zo lang tot ze riepen: Landwacht, en dan wist meteen de buurt wat op komst was. Eenmaal zeiden ze, als je niet spoediger komt, schieten we je in huis dood. Ik zei toen alleen maar, het is na achten en ik kon toch niet weten dat jullie daar stonden.

Als we bericht kregen, dat er vermoedelijk een overval op komst was, gingen we met een bok (een soort boot, red.) met een dekzeil de trekgaten in en daar bleven we de nacht over. Als ’s morgens de kust veilig was, hing de vrouw een witte doek aan een stok ten teken dat alles veilig was. Ook ging ik wel alleen met een punter de gaten en sliep dan in een tentje, dat ook wel werd gebruikt als schuilhut voor de geit. Die trekgaten zijn, nu ik dit schrijf, door de inpoldering allemaal verdwenen. Er waren ook nog kampen bij ons in de buurt en daar was de zogenaamde arbeidsdienst in ondergebracht, allemaal jonge jongens. Nu ging het gerucht, dat deze jongens naar Duitsland zouden worden overgebracht en daarom zouden ze naar de Noordoostpolder moeten om daar in de wildernis onder te duiken. Ze droegen een soort uniform en wij hebben ze zoveel mogelijk van andere kleren te voorzien.

Ze moesten lopen naar Blokzijl en daar moesten ze bij een boer (een goede) vragen hoe ze verder moesten gaan. Nu de weg was aangegeven met braamstruiken. We hebben niets meer over deze jongens gehoord, maar later heb ik gemerkt, dat er bij waren die gekletst hebben. Maar ja, ze waren jong en de verhoren van de Duitsers vielen niet mee.
Op een avond zaten mijn vrouw en ik nog een poosje buiten onder een grote vlierboom, in het donker waren we niet te zien. Daar kwamen twee kerels aan en bleven dicht bij ons op het pad staan. De een zei tegen de ander, wat zullen we doen, zullen we bij Bertus blijven of nog doorgaan. Ik herkende de een aan z’n stem en zei, blijf vannacht maar bij ons jongens. Dat is ton ook gebeurd, de andere morgen zijn ze verder gegaan, waarheen weet ik niet, je vroeg niet in die tijd. Ze waren gewapend en boden mij ook een revolver aan. Ik heb geweigerd en gezegd, ik heb nooit zo’n ding in m’n handen gehad, denk je dat ik een mens kan doodschieten? Ze antwoordden, stel dat wij hier in nood komen en jij kunt ons redden en misschien meer goede Nederlanders door te schieten, wat is dan je plicht? Dan weet je niet wat je daarop moet zeggen en het gevolg was, dat we een handgranaat in huis kregen. Hij is gelukkig nooit gebruikt en na de bezetting heb ik hem tot ontploffing gebracht in een trekgat.

Een van de onderduikers was een pientere knaap en daarmee gingen we in ons schuurtje aan het werk om valse Ausweisen te maken. Het hakenkruis werd uit een munt gezaagd, met inkt ingesmeerd en dan met de andere benodigdheden op de papieren, die de jongens hadden gedrukt. Ik weet niet of ze gebruikt zijn en of de Duitsers er mee zijn ingetippeld, maar het gaf aan de jongens afleiding, maar het was gevaarlijk werk. Eenmaal kwam er een man bij ons binnenstappen. We meenden, dat hij goed was, en later hoorden we, dat hij met de vijand wel ging jagen in Noordoostpolder. Toen hebben we ons wel geknepen, maar we hebben er niets over gehoord. Niet alle onderduikers beseften de gevaren en op een avond hoorde ik ze zingend het pad opkomen. Je kon direct wel horen, dat het geen jongens uit de buurt waren, ik heb ze toen ook flink uitgevloekt en hen nog eens op het gevaar voor henzelf en voor ons gewezen.

Zo naderde dan oktober 1944. Toen het de NSB-ers in het zuiden te heet onder de voeten werd, kwamen ze naar het noorden en werd het voor ons nog gevaarlijker. Zo kwam er ook een zekere Dijkert in Steenwijk. Hij was voor de oorlog gewoon bij de politie, maar door z’n goede (?) werk voor de bezetter had hij bij hen een hoge positie en maakte hij het bij ons onveilig. Z’n ouders hadden een café in Steenwijk en in die kroeg was over mij gekletst, misschien niet met kwade bedoeling, maar hij had het gehoord en toen hij bij mij over de pont kwam, zei hij: ik schiet je dood. Ik heb toen tegen hem gezegd, dat hij dat kon doen, hij had een revolver en ik niet. Dat doodschieten heeft hij zelf toch, naar het schijnt, niet willen doen, maar wel klaagde hij me aan bij de SD. Op 15 oktober hadden we de verjaardag van m’n vrouw nog gevierd en een paar dagen later kwamen ’s morgens een stuk of twaalf Duitsers ons huisje omsingelen. Het hele huis werd ondersteboven gehaald, wat meegenomen, en ook ik moest met de heren mee naar Steenwijk. Zes voor mij en zes achter me, daar ging ik dan. Ook hadden ze nog en grote herdershond bij zich, je begrijpt dat ik met niet lekker voelde. Ik moest zo bij m’n vrouw vandaan en wat zou m’n toekomst zijn en ook die van haar?

Het was nog een geluk, dat Lucas de bonnen voor de onderduikers net voor de tijd had meegenomen, anders hadden ze nog een mooi bewijs tegen me gehad, want met wat ze in beslag genomen hadden, konden ze niet veel doen.
Ik werd dan in een cel van de kazerne in Steenwijk opgesloten en ’s avonds werd er een mijnheer met een aktetas bij me in de cel gedrukt. Het eerste wat hij zei, was: nou het ziet er niet goed uit. Ik hoorde dan direct wel dat het een Fries was, maar verder deden we elkaar een hele poos niets. Later werd het zoetjesaan beter, want we merkten, dat we in hetzelfde schuitje zaten, maar ja je kunt nooit weten. Het bleek de heer Brandsma uit Wolvega te zijn. Brandsma moest al gauw bij me vandaan. Ze waren zeker bang, dat we wat zouden bepraten. In zijn plaats kreeg ik toen als celgenoot een oudere man uit Munnekeburen, een zekere Veenbaas. Die dag moest ik voor het verhoor. Wat heb ik hem geknepen, je werd opgehaald door een gewapende SD-er en kwam dan in een kamer, waar achter een klein bureau dezelfde hoge militair zat, die me had opgehaald. Naar ik later vernam, was dat een zekere Beckers. Tevens was in die kamer een persoon met een knuppel in z’n handen en achter mij was een luikje, waarachter nog een persoon stond. Er werd eerst gevraagd of ik Duits verstond, maar op m’n ontkennend antwoord bleek me dat de persoon met de knuppel een tolk was.

Eerst kwamen de papieren op tafel, die ze bij ons hadden meegenomen: een brief van een meneer uit Steenwijk, waar m’n zuster huishoudster was. Deze brief was voor z’n dochter in Rotterdam en daar er bij ons nog een Rotterdammer in het kamp was was en die me verteld had, dat hij wou proberen om op de fiets naar huis te gaan, en er geen post ging, kon deze man die brief dan mooi bij z’n dochter bezorgen. Daar is nooit wat van gekomen, zodat de brief altijd nog in de brievenhanger stond. In deze brief stond dan:ik ben gisteravond weer thuisgekomen. Feikje (dat was m’n zuster) en Tommie wachten mij al op bij een warme kachel. Ha, die Tommie, was ist das? Ik hem uitgelegd, dat dat een klein hondje was, maar dat vond hij helemaal niet leuk en een klap in m’n gezicht was de beloning. Ook hadden ze een schetstekening meegenomen van een aanleg van verlichting met accu’s voor een lokaal op de Wetering. Dat bleek ook verdacht te zijn, maar dat kon ik ook uitleggen. Dan de jongens van de Arbeidsdienst, die ik naar de polder had gestuurd. Ik zei dan, dat ze daar konden werken, maar hij wilde het niet geloven, dat ik het daarom had gedaan. Weer een klap. Heel wat vragen moest ik nog beantwoorden. Bijvoorbeeld wat voor geloof ik had, bij welke partij ik aangesloten was. Als ik niet zo in de rats gezeten had, had ik toen nog wel een mooi moment gehad, want toen ik zei bij de SDAP, zei hij mooi, en als Willemientje (Koningin Wilhelmina) weer komt, steken jullie de vlag uit. Hij was toch ook zeker nog niet zo zeker van Hitler z’n overwinning. Hij probeerde maar van mij namen van medewerkers los te krijgen, maar ik heb gelukkig niemand genoemd. Ik werd op het laatst de deur weer uitgegooid en belandde in de armen van de soldaat, die voor de deur op wacht stond, en deze bracht me weer in de cel bij Veenbaas.

De andere dag moest Veenbaas er voor, maar wat hebben ze die gepijnigd! Ze hebben hem aan een touw in het gebouw aan de armen opgehangen, het scheen dat ze dachten hij meer wist van het verzet in Friesland en dat wilden ze eruit zien te krijgen bij deze man, Toen hij weer bij me in de cel was, ging hij met zijn rug tegen de muur zitten. Ze hadden hem de schouders geheel verwrongen en het is ook nooit meer helemaal goed gekomen. De man was erg gelovig en na een tijdje ging hij een psalm zingen met een van pijn verwrongen gezicht.

We kregen eerst hetzelfde eten als de soldaten, dat moesten we onder geleide uit de keuken halen. Dat was wel goed, maar er zaten veel kruiden in en dat bleek dat m’n maag dit niet verdragen kon. Op een avond kreeg ik van die krampen in m’n buik en ik moest naar de WC. Die was aan de overkant van het terrein en je moest erheen met een gewapende soldaat naar toe. Ik drukte dus op de bel en een soldaat kwam in de deur. Ik zei wat ik moest, maar hij zei, kann nicht, en de deur ging weer op de grendel. Tot driemaal toe heb ik gebeld, maar het was altijd hetzelfde en m’n nood werd groter. Nu hadden we nog een etensschaal over en Veenbaas kwam op het idee om die maar te gebruiken. Dat is toen gebeurd, hij was ook ineens vol. Het bleek dat de soldaat alleen de wacht had en zodoende durfde hij niet met mij het gebouw te verlaten. De andere dag kwamen er weer nieuwe arrestanten en toen bleek, dat er een kom te weinig was en ze moesten de kom hebben, die bij ons over was. Ik had hem schoongemaakt en Dominee Dijkstra van Oldemarkt heeft er lekker uit gegeten.

Die dag moest ik weer op het matje komen. Een meneer kwam heel vriendelijk m’n naam roepen bij ons in de cel. Ik ging met hem mee, nu zonder bewaking, en kwam bij hem in de kamer. Ik mocht gaan zitten en hij bood me een sigaret aan. Ik heb die met beverige vingers ook nog kunnen rollen. De man tapte uit een heel ander vaatje (gedroeg zich heel anders: netjes) en wou op m’n gemoed werken. Kijk eens Timmerman, je hebt gister dit wel gezegd, maar er is toch veel meer en als je nu alles aan mij verteld en je noemt je medewerkers, dan ga je een poosje naar de verdedigingswerken in Drenthe en dan kun je weer naar je vrouw terug. Die zit daar nu ook maar alleen en in angst over jou, dus vertel me nu maar alles en het komt nog wel weer voor elkaar. Ik dacht, jongen Bertus, nu moet je oppassen, en ik zei hem, dat ik alles, wat ik gister gezegd had, met de beste bedoelingen had gedaan en dat ik ook geen medewerkers kon noemen, omdat die er niet waren. Hij heeft me weer naar de cel teruggebracht en verder niets, maar deze was gevaarlijker dan de eerste.

Er werd nog wel eens een briefje op de een of andere manier binnengesmokkeld en daardoor hoorde ik, dat in Steenwijk het gerucht ging, dat ik alles zou hebben verraden. Daarop heb ik een briefje geschreven, in de vorm van een sigaret gerold, en aan een man van een vrachtwagen meegegeven. Hij wou het eerst niet aannemen, maar toen ik hem het adres in Steenwijk kon influisteren, nam hij het wel aan. Ik weet niet, wie het was, maar ik ben de man nu nog dankbaar, want nu wisten ze precies wat ik gezegd had en geen woord meer. Het was voor de organisatie ook een geruststelling. Er zat in een andere cel een dame uit Wolvega, daarvoor moest ik op een morgen de cel aanvegen. Die dame had huiszoeking gehad, ze hadden niets gevonden, maar zet maakte zich ongerust, dat ze een radio in huis had en die hadden ze niet gezien en of ze dat nu ook zeggen moest. Ik heb tegen haar gezegd: Ben je bedonderd, mevrouw! De volgende dag hebben ze haar naar huis laten gaan.

Aan de elektricien hadden we een goede vriend, hij zei nooit iets, maar als de bel voor de zoveelste keer defect was, kregen we wel eens wat van hem en hij nam ook wel eens een briefje mee. Ik weet zijn naam ook niet, want er was altijd gezegd geen namen vragen dan kun je je ook niet verspreken.

Op een morgen kwam een Hongaarse SS-er bij ons in de cel. Hij had een groot pistool in z’n handen en dat werd op mij gericht. Hij bulderde erg tegen mij, maar ik verstond er niets van. Ik kwam er met een stomp af en ben ook nooit gewaar geworden waarom dit was. Ik voelde me nu nog onveiliger met zo’n woesteling in de buurt, maar de andere morgen kwam het bevel, dat we ons klaar moesten maken voor vertrek. Wat zou ons nu boven het hoofd hangen? Op het pleintje stond een busje en daar werden we ingeladen. Voor bij de chauffeur zat de SD-er Abener, een beruchte ploert, en achterin iemand met een machinegeweer. Velen van ons dachten, dat we naar een schietbaan zouden worden gebracht om te worden doodgeschoten, maar dit bleek toch niet de bedoeling, want we gingen in noordelijke richting en eindelijk na een bange tocht kwamen we bij het Huis van Bewaring in Leeuwarden. Dat is ook een raar gevoel, als die grote deuren achter je dichtgaan. Na de vereiste formaliteiten en het afnemen van geld, horloge en bretels of riemen, kwam ik eerst in een klein celletje terecht. Ik dacht, als ze me hier in laten, word ik nog gek, maar nee hoor, na een tijdje werd ik er door de bewaker uitgehaald en kwam ik weer bij de andere kameraden. Dit was een cel, die oorspronkelijk bedoeld was voor vier personen, maar wij zaten er wel met een stuk of vijftien in. Eerst een tamelijk grote cel en daarachter een alkoof, zoals we dat noemden. In die alkoof waren vier britsen ook weer achter zwaar vlechtwerk en een deur weer met een zwaar slot erop voor elke slaapplaats. De oudsten mochten in deze hokjes en de anderen lagen op strozakken daarvoor.

Nu heb je nog nooit gezien, hoe een mens kan veranderen, als hij het ene ogenblik meent te worden doodgeschoten en het andere merkt, dat hij toch nog blijft leven. Het was compleet een gekkenboel en toen er nog laat een jongen in werd gebracht, moet die wel hebben gedacht met een stelletje gekken te doen te hebben. De volgende morgen waren we weer normaal. Door de goede bewakers werden we al gauw ingelicht welke bewakers we voor op moesten passen. De vrouw had gehoord, dat we in de gevangenis zaten, en ze kwam me wel op de fiets verschoning brengen en is ook wel met Rook met de meelwagen mee geweest. In Leeuwarden heeft ze ook wel overnacht bij kennissen. Ik mocht dan m’n schone goed aantrekken in een kamertje in gezelschap van een brigadier. Dit was een goede kerel. Hij ging altijd met de rug
naar me toe staan, zodat ik alles, wat in de koffer zat, mee kon nemen en dat was wel nodig, want het eten was slecht. M’n vrouw kwam ik nooit te zien, die moest in de wachtkamer zo lang wachten, totdat ik klaar was. Zo hadden we ook nog een geval, waaraan je kunt zien dat een mens zich altijd naar de omstandigheden kan aanpassen.

Collee z’n vrouw had een gebraden eend tussen het goed gestopt, maar hij moest worden verdeeld en geen van ons had meer een mes. Wat toen gedaan, de eend werd op het deksel van het tonnetje voor algemeen gebruik gelegd, iemand van ons had steunzolen, en met deze steunzool hebben we het beestje aan stukken gekregen.
De atmosfeer in de cel was benauwd, ook al door het tonnetje, waar we allemaal onze behoefte in moesten doen. Op 6 december kregen we zeker als verrassing een koolraapje voor ieder in de cel gegooid.

’s Morgens werden we een poosje gelucht. Op de avond – van 8 december naar ik meen – werden we opgeschrikt, doordat de deur van onze cel werd opengetrokken en een bevelende stem riep een stuk of vier namen, Brandsma was de eerste, hij zou z’n jasje aantrekken, maar daar werd hem de tijd niet voor gelaten, het waren allemaal mensen uit Friesland van het verzet. Wij, die achterbleven, zaten verslagen in de cel en luisterden naar de geluiden, die we door het sleutelgat konden opvangen en toen hoorden we geschreeuw. We dachten niet anders dat onze vrienden werden gemarteld, maar het was anders. Het was een overval en dat er alleen mensen uit Friesland werden uitgehaald, kwam doordat in die streken gevaar dreigde, dat het gehele verzet kon worden opgerold, als deze mensen niet werden bevrijd. Met alle gevolgen van dien.

Dr. L. de Jong (Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie) schrijft in z’n boek, dat de andere gevangenen schreeuwden, laat ons er ook uit, maar wij in onze cel zaten stil bij elkaar en wisten niet wat er aan de hand was, totdat alles weer rustig was en portier De Jong ons van de zaak op de hoogte bracht. Even later kwamen de SD-ers. We moesten tegen de muur gaan staan met de handen boven het hoofd en toen werden alle namen. Die er nog wel was, moest ja zeggen. Wat waren we blij, dat die kerels onze cel uit waren, want je moest de koppen van hen eens zien, net bloedhonden. Het was ook geen kleinigheid, een 50 mensen waren er uitgehaald, maar wij zaten er nog. Het duurde niet lang, of er werden weer nieuwe mannen bij ons binnengebracht. Daar werd het voor ons niet beter op, want de stank werd nog groter en het vertrouwde was weg, ook al omdat we meenden met een groep zwarthandelaren (illegale handelaren) te doen te hebben. Maar dit zou niet lang duren. Het plan bestond om ons naar Drenthe te brengen, want, zoals later bleek, lagen daar al onze persoonsbewijzen, maar voor straf moesten wij naar Duitsland.

Op een avond was het dan zover. Een grote groep moest naar het station. Als een groep misdadigers ging door het door de straten, naast ons mannen met geweren en honden aan lange kettingen naast ons. Ik merkte nu ook, toen we in het station waren, dat er nog jongens van Wetering in de groep zaten, zelfs drie uit een huisgezin, en Muis was er ook bij. Dit was de man, die de Joodse onderduikers in huis had gehad. We lagen allemaal in de wachtkamer, meer er kwam geen tijd. Het bleek dat de lijn naar Groningen gebombardeerd was, zodat we de nacht in de wachtkamer moesten doorbrengen. De andere dag weer naar de gevangenis, maar die was nog voller geworden, we lagen man aan man. Toen de lijn gerepareerd was, ging het weer op het station aan en nu kwam er ook een trein. In Groningen moesten we de nacht in de trein doorbrengen in volle ouderwetse hokjes. Een SD-er kwam langs en stelde de oudste verantwoordelijk voor iedere tien personen. Dominee Dijkstra, die Groninger was, voelde er wel voor om onderweg uit de trein te springen maar ik heb ze allen gevraagd, of ze dat ook wilden en daar er een jongen van De Wetering bij was van een jaar of zestien en die dat niet zonder z’n broers wilde doen, is daar niets van gekomen. Ik geloof ook wel, dat het hopeloos zou zijn geweest om dit te proberen, overal lichten naast de lijn.

We kwamen dan de volgende morgen bij Nieuwe Schans over de grens en het eerste station in Duitsland was Leer (waarschijnlijk wordt hier Lehrte bedoeld, red.). Hier kwam een hoge militair ons vertellen, dat we als vrije arbeiders in de Heimat te werk zouden worden gesteld, dat hadden we nu juist nog niet in de gaten. We gingen nu zuidwaarts en kwamen eindelijk in Hannover aan. Hier werden we ondergebracht in een gebombardeerd groot huis en een Lagerfuhrer wees ons onze strozakken, drie op elkaar. We moesten de andere dag naar een fabriek toe. Daar meenden ze, dat ze een stel vaklui kregen, maar geen een was voor die fabriek geschikt. Ze hadden daar nog nooit van een pontbaas gehoord, wel moesten die vieze Hollanders daar ontsmet worden. We moesten ons allemaal spiernaakt uitkleden en dan voor een stuk of vier Russinnen langs die ieder met een grote kwast gewapend waren, en overal waar op je lichaam haar aanwezig was, kreeg je een klodder smurrie. Daarna onder de douche. Dat was wel lekker, maar je vertrouwde de gastheren niet, toen we onze kleren weer aan konden trekken, waren deze gloeiend heet.

Als de sirene ging, moesten we in een bunker. Dat was een soort lange grote molshoop. Het leek me niet erg vertrouwd, als daar een bom op zou vallen en als de bewaker ons in het donker niet zag, gingen wij eruit liever in de vrije natuur. Wat is zo’n bombardement een machtig angstaanjagend gezicht, het is net een groot vuurwerk en de granaatscherven van het afweergeschut vlogen overal heen. We werden elke dag naar een kamp in de buurt van Hannover, namelijk Ahlem gestuurd. Het kamp was nog niet klaar, maar er moest in de rotsen een grot gemaakt worden. Er werkten Joden, Russen en verder van alle nationaliteiten. Wij bleven bovengronds om van het puin een weg te maken. We kregen een grote schep om daarmee te werken en onze voorman was een Pool. Het eten werd in gamellen uit de stad aangevoerd en nu vroeg die Pool, of Willems, die naast me stond, of die voor dat eten uitdelen en het schoonmaken wou zorgen. Nu hadden ze Willems beloofd, dat hij misschien bij de administratie kon komen en daar altijd nog op hoopte. Ik zei, als jij dat niet wil, ik wel graag, want alleen die schep vasthouden is me al erg genoeg. De Pool vond het goed en zodoende mocht ik in een gebouwtje de boel schoonmaken en ieder z’n portie geven, aan de keuken werd nog gewerkt.

Kerstmis naderde en dat is voor de Duitsers een heel vreet- en zuipfeest, maar niet voor m’n vrouw, die wist helemaal niet waar ik was. Ze hadden haar verteld, dat ik in Drenthe was en zij is op de fiets door geheel de provincie getrokken tot aan De Punt bij Groningen. Een goede bekende uit Assen, de heer De Vries, is nog al met haar mee geweest, maar nergens was Bertus en ze kon onverrichterzake weer terug gaan. Wel lag in een dorp m’n persoonsbewijs, dus zijn ze het wel van plan geweest. Ook heeft ze menigmaal geprobeerd om me te schrijven, zelfs wel met Duitsers meegegeven, maar het is nooit in mijn bezit gekomen en zo leefden wij dan weer verder, maar altijd in angst. Ook zij is nog een paar dagen ondergedoken, daar het gerucht ging, dat ze haar ook zouden ophalen, maar dat is gelukkig niet gebeurd.

Maar nu verder m’n belevenissen in Duitsland. Ik moest dan voor het eten zorgen en warm water op een kacheltje maken om de boel schoon te maken. Nu had het terrein, waarop het kamp lag, aan een boer toebehoord en daarop scharrelde ik het brandhout op. Ook pikte ik wel eens een nieuw stuk hout, dat voor de bouw van de keuken bestemd was, maar altijd had ik geen werk en ik was bang, dat het bij controle in de gaten zou lopen. Ik vroeg dan aan de Pool, of hij misschien nog een werkje voor me had. Nu moest ik ’s morgens maar met hen mee om de pomp te ontdooien en verder met hen de grot in om daar de boel te controleren. Daar zag je dan die arme Joden aan het werk. Ze werden nog opgejaagd door hun eigen rasgenoten, maar die moesten ook weer uit lijfsbehoud, dit waren de zogenaamde kapo’s. Zo nu en dan werd er een naar boven gebracht en stierf dan in de buitenlucht. De Joden zaten dus het diepst, dan volgden de Russen, dan de Fransen en Belgen en de Hollanders bovengronds. Eindelijk kwam de keuken klaar en ik kwam toen als hulpje daarin, zodat ik ook genoeg te eten had en ander soms ook nog eens wat toe kon stoppen. Vriend Willems, een grote kerel werd zienderogen magerder.

Ook kwam op een morgen, ik moest altijd vroeg beginnen, een Rus bij me in de keuken. Hij deed heel onderdanig met z’n muts in de hand om wat eten. Ik ging naar hem toe, gaf hem een hand en zei, Rus, en wees op mij, Hollander, kameraden. Als ik ’s morgens vroeg was, kwam hij geregeld en alle afval nam hij in dank mee. Ik heb later nog eens wat van die Russische tabak van hem gehad, hoe hij daaraan kwam, weet ik nog nooit. Bij me in de keuken waren twee jonge mannen, die daar als kok dienst deden. Ze waren in Holland kelner of zoiets geweest en hadden daar, geloof ik, ook wel in de zwarte handel gezeten. De een was in ieder geval niet zo’n beste kameraad, dat bleek later wel. De kokkin was niet een gemakkelijke tante. Als we snert kregen, moest ik om een uur of vijf de vuren onder de ketels aandoen en als het hout dan nat was en ik had de boel nog niet aan de kook, dan moest ik wat horen. Gelukkig kon ik niet alles verstaan. Haar man was chef over de zaak. Dat was wel een goeie kerel, maar hij had bij haar niets te vertellen. Op een dag kwam hij in de keuken en zag dat in de put zat en hij was bang, dat ik hem zou smeren, maar ’s avonds toen we op onze strozakken lagen, kwam hij nog wel even bij me kijken, Het was nog te vroeg om er vandoor te gaan.

Op een morgen vroeg kwam ik in de keuken en zag, dat er iets niet in orde was, en ja hoor, daar kwamen drie jongens tevoorschijn. Ze hadden eten gejat, het waren Hollanders en de kerels hadden honger, maar dit kon niet, want de anderen kregen er zoveel minder door. Ik ben met ze gaan praten en heb hun beloofd, dat ik er geen drukte over zou maken. Maar wat wil het geval, Gerrit ziet, dat ik ’s middags bezig ben om het gat dicht te maken en heeft direct wat in de gaten. Hij dreigde mij met de SD, want als ik het niet zou vertellen, ging ik voor de bijl, zei hij. Ik heb hem gezegd, dat ik de jongens beloofd had om niets te zeggen en als hij er werk van durfde te maken, ik wel zou zorgen, dat de kameraden op de hoogte zouden worden gebracht en als hij dan later in Holland kwam, het er voor hem wel eens niet zo best uit zou kunnen zien. Het is toen met een sisser afgelopen, maar je eigen landgenoten kun je, al ben je allemaal gevangenen, nog niet vertrouwen.

Nog een geval met deze Gerrit en z’n kameraad. We zaten allemaal in de luizen en de heren smoesden wat met de Lagerfuhrer en die begon hem te knijpen, want de geallieerden rukten inmiddels op. Ze kregen van die kerel gedaan dat ze een apart kamertje kregen bij de ingang van de barak. En de heren kregen elk een knuppel om de orde te bewaren. Nu wilden ze mij ook in dat kamertje hebben. Ik heb hun te verstaan gegeven, dat al zouden de luizen me ook opvreten, ik niet bij de anderen zou weggaan. Toen hij weer in het vaderland is gekomen, is hij trouwens ook in gevangenschap gekomen. Ik heb later nog een brief van z’n moeder gehad, of ik hem niet helpen kon, maar hij had het verdiend.

In april 1945 begon je echt te merken, dat de Duitsers bang begonnen te worden. Het kwam zelfs zover, dat we bij hen aan tafel mochten eten met een glaasje bier er zelfs bij, en de oude chef zou op een morgen z’n onderscheiding in het fornuis gooien, maar doordat ik net kwam aanlopen, kwam het ervoor terecht, ik heb het nog. De kokkin begon van onze rantsoenen te jatten en bracht dit in een gedeelte van de grot, dat met een dikke deur kon worden afgesloten, en soms huilde ze. Maar aan alles komt een eind en op een dag, ik weet niet meer welke, vlogen de granaten van de bevrijders over Hannover. De Duitsers in paniek en gingen er met de Joden vandoor. Toen was ook bij ons in het kamp het hek van de dam, want er was geen bewaking meer. De jongens gingen het kamp uit en kwamen met zakken rijst en wat voor eetbaars ze maar te pakken konden krijgen, in het kamp terug.

Onderwijl overlegden Willems en ik om de andere morgen vroeg maar op stap te gaan om te proberen de grens te bereiken, maar eerst moest ik ’s nachts nog een grote gamel met rijst koken voor de achterblijvers. Dat lukte niet al te best, want dat spul ging zo geweldig rijzen, dat ik wel drie emmers vol kreeg en het was allemaal ook niet gaar. Er stond ook nog een zak met suiker, dat die heb ik er maar door gegooid en de jongens hebben er van gesmuld. Als dank kregen we nog een zakje meel mee op reis. En toen er vandoor. We hadden een kaartje kunnen bemachtigen van de streek, waar wij waren, en daarop zetten wij onze route uit, richting Enschede. Die eerste dag liepen we veel te lang door. We hadden ’s avonds in een dorpje kunnen overnachten, maar nee hoor, we wilden nog verder. Maar, als we daar gebleven waren, wat het beter geweest.

We moesten over een kaal stuk bouwland en het werd donker, toen waren het allemaal verkenningslichten in alle mogelijke kleuren. We hebben hem wel geknepen, maar zijn toch goed in het volgende dorp aangekomen, al had ik toen direct al flinke blaren aan m’n voeten. Onze schoenen waren ook niet bestand tegen zoveel lopen. We troffen in dat dorp een Hollandse vrouw, die met een Duitser was getrouwd, en die wees ons een plaats aan, waar we konden slapen, ook gaf ze ons een briefje mee voor familie in Enschede, maar dat is er nooit gekomen. We hebben op een hooizolder geslapen en hebben ’s morgens eten van die vrouw gehad, toen weer verder. Het zakje meel, dat we van de jongens hadden meegekregen, begon zwaar op onze rug te worden en in een dorp hebben we het bij een bakker verruild voor twee grote broden.

De tweede nacht hebben we weer in een schuur geslapen en we kregen ook weer eten, als ze maar hoorden, dat we Hollanders waren. We kwamen nu in het gebied, dat door de geallieerden was ingenomen. Het eerste, wat we ervan zagen, waren Rode Kruis-wagens, maar hoe verder we kwamen, hoe meer troepen. We mochten nooit bij hen komen, maar wel werd ons een pakje sigaretten toegeworpen. We riepen bij elke groep, of er ook Hollanders bij waren, maar dat was altijd mis. We liepen echt als een paar landlopers, wat we eigenlijk ook waren met onze dikke baarden en toen we dan in een klein dorpje een bordje zagen met Rasierder erop, zijn we daar binnengestapt. Het bleken een paar bejaarde mensen te zijn en toen we de baas vroegen, of hij ons wou scheren, schudde hij woest met z’n kop van neen. Nu kwam m’n grote Willems op hem toe en zei, zo wil jij geen Hollanders scheren? Toen begon hij wat anders te kijken en zei, ik heb geen seife. Ik heb m’n oude koffertje opengemaakt en daar kwam nog een stukje zeep uit te voorschijn. Hij smoesde nog wat en toen begrepen we, dat de operatie kon beginnen. Ik eerst, en Willems hield hen in de gaten. Nu ben ik nog nooit zo snel geschoren. Het oude vrouwtje kwam nog met een schoteltje met azijn en klaar was kees. Toen Willems en dat was ook in een ogenblikje gebeurd. We zagen er toen weer een beetje fatsoenlijker uit.

In het Midland-kanaal tussen gebombardeerde bruggen zagen een Rotterdammer schipper liggen. Wij roepen en jawel hij kwam met z’n bootje naar ons toe. We hebben bij hem in de roef geslapen en ik denk dat er in die roef wel wat luizen van mij zijn achtergebleven.

We kwamen bij een kamp van de Duitsers, waar nu de geallieerden de baas waren en waar veel vluchtelingen in waren. Veel Fransen en Belgen. Ze vertelden ons dat we misschien de volgende dag met een konvooi meekonden, maar later bleek ons, dat we nog lang niet aan de beurt waren. Ze hebben me wel van de luizentroep afgeholpen. Grote tonnen met DDT stonden klaar en met slangen werd je gehele lichaam daarmee bespoten en weg waren de beestjes. We zijn daar ’s nachts gebleven, maar de andere dag zijn we door een gat in de muur gekropen en maar weer op weggegaan. Dat lopen viel ook niet meer mee. Ik had blaren aan m’n voeten als kippeneieren en als ik de trouwe steun van de grote Willems niet had gehad, waren we nooit zo ver gekomen. We vorderden elke dag maar een klein eindje, maar we kwamen vooruit. We kwamen bij een rivier. Ik geloof dat het de Wezer was, en daar de bruggen waren opgeblazen, moesten we met bootjes worden overgevaren. Dit gebeurde door jongens en die peddelden de bootjes over de rivier. Ik zag wel als oude waterrat dat ze er niet veel van konden en nam hen de peddel af. Hij sputterde wel wat tegen maar toevallig, waren er in het bootje ook jongens van de Wetering. Die hadden een fiets of wat anders kunnen bemachtigen en waren daar nu gelijk met ons. Nou die stonden direct natuurlijk aan mijn kant en riepen laat Bertus ons maar gerust overvaren, dat heeft hij wel vaker gedaan.

Op de wegen was het een stroom van vluchtelingen. Alle nationaliteiten liepen door elkaar, maar voor de Russen waren de Duitsers o zo bang. Als we maar zeiden dat we Hollanders waren dan konden we wel onderdak en eten krijgen, maar voor de Russen vluchten vooral de vrouwen de bossen in. We kwamen eindelijk aan een kanaal. Geen brug maar op een stoeltje zat en Engelsman en die beduidde ons dat we maar moesten gaan zitten en toen er nog wat meer waren kwam er een bootje, dat ons naar de andere kant bracht. Daar was een gebombardeerde fabriek waar we de nacht in konden doorbrengen. De andere morgen konden we op een legerwagen klimmen en deze bracht ons naar het stadje Kevelaar. Een bedevaartplaats van de Katholieken. We konden slapen in de kerk. Een prachtige kerk. Maar voor ons hadden Russen op dat stro geslapen, zodat dit voor ons niet erg aanlokkelijk was. We gingen het stadje in. Bijna alle huizen hadden in normale tijden ruimte voor pensiongasten en het eerste de beste huis waar we aanbelden konden we een kamer krijgen. Voor het eerst hebben we weer eens op een echt bed geslapen.

Ze hadden ons gezegd, dat we om negen uur weer bij de kerk moesten klaarstaan. Dan zouden we vertrekken. We geloofden dat niet helemaal, want beloven gaat gemakkelijk, dat wisten we bij ondervinding, maar toch stonden we om negen uur met ons oude koffertje in de hand bij de kerk. En ja hoor, daar kwamen de militaire wagens aan. Een hele colonne, 36 wagens. Er zaten er ook al heel wat op. Wij waren dicht bij de grens en het was voor ons een teleurstelling dat we zuidwaarts gingen. We wisten toen nog niet dat we daar niet over de grens konden. Er werd al gezegd, we gaan naar Belgie en komen dan weer in een kamp. Maar, nee hoor, in Limburg konden we eigenlijk de grens over. Wat vonden we Nederland mooi, als was er met de landstreek helemaal geen verschil. En door de mensen werden we overal uitbundig toegewuifd. Ik snap nog niet waar al die Hollandse vlaggetjes vandaan zijn gekomen, maar op iedere wagen waren vlaggen.

In Limburg gingen we gelukkig noordwaarts en kwamen ’s avonds doodmoe in Eindhoven aan. De poorten van Philips veemgebouw gingen open en bij de deur stonden meisjes die ons appels aanboden. In het reusachtige gebouw lagen de strozakken naast elkaar en toen ons wat eten werd aangeboden waren we bijna te moe om dit naar binnen te krijgen. We lagen dan eindelijk op de strozak, maar om elf uur speelde de radio in het gebouw het Wilhelmus en hoe moe we ook waren, we gingen allemaal staan met tranen in de ogen. Ik meende dat het vaderland me vroeger niets deed, maar dat is niet zo, dat merk je als je een tijd in het buitenland hebt gezeten.

De andere dag moesten we getest en gekeurd worden en dan bestond het plan om ons in dorpen in Brabant onder te brengen. Nu had ik familie in Eindhoven wonen en toen ik s avonds op de binnenplaats achter het grote hek liep, vroeg ik dit aan een vrouw, die voor het hek stond, of ze ook in de buurt van de Bezemstraat woonde en of ze bij m’n zwager wilde zeggen, dat Bertus hier was. Ze wisten in het geheel niet, dat ik was gepakt, maar stonden spoedig bij de poort. In het gebouw werd omgeroepen, dat er bezoek voor mij bij de poort was. En daar stonden Dirk en Jans, wat een weerzien. Willems en ik zijn de andere dag bij hen in huis gekomen en daar heb ik alleen in de voorkamer een potje zitten huilen. Maar ja, we waren wel in Brabant, maar we wilden o zo gaarne naar huis en over de grote rivieren was nog geen verkeer voor burgers, zolang het westen nog niet bevrijd was. Alleen Militair Gezag ging naar het noorden. We spraken al eens met een chauffeur of die ons mee wilden nemen, maar ze beloofden het wel eens, maar er kwam nooit wat van.

Daar Willems in Oldemarkt bij de belastingen was geweest, kwamen we op het idee om eens te informeren in het gebouw van de belastingen. Nu was die baas daar een hoge Pief bij het Militair Gezag. Hij droeg een mooi uniform, maar het was wel een geschikte kerel. Willems vertelde hem dat hij eigenlijk wel weer op z’n standplaats aanwezig moest zijn en ik zei, dat we alles samen hadden meegemaakt en nu ook wel samen thuis zouden willen komen. We moesten de volgende dag maar eens langskomen en de volgende dag had hij voor Willems een vergunning klaar, maar mijn naam stond er niet bij op. Ik heb hem toen verteld, dat ik een pontveer had en ik daar ook wel weer aanwezig moest zijn. Ik kreeg m’n briefje ook. Toen zei hij, misschien moet ik morgen nog wel naar Deventer, bel me vanavond maar op, dan weet ik het wel. Nu wij bellen, maar nooit gehoor. Eindelijk om tien uur zegt Willems, bel jij nu maar, want ik geloof er niet meer in. Maar hij is toch gegaan en we moesten de andere morgen om acht uur klaar staan.

Die morgen kwam de wagen met de grote letters Militair Gezag bij ons voorrijden en na van de familie afscheid te hebben genomen, konden we het noorden in. Wat een vreselijke verwoesting was dat onderweg, we hadden in Duitsland ook veel gezien, maar zo het in de buurt van Arnhem was, verschrikkelijk. We kwamen in de middag in Deventer aan en gingen naar Willems huisbaas en een oude Oldemarkter, de heer Van der Veer. We hebben bij moeder de vrouw pannenkoeken gegeten, maar de man kwam niet thuis om ons weg te brengen. Eindelijk tegen een uur of tien kwam hij opdagen. Hij vroeg of we toen nog weg wilden, het was ons altijd goed, als we maar thuis kwamen.

Wij in z’n wagen van de Binnenlandse Strijdkrachten, en toen was het bericht binnengekomen, dat het westen ook bevrijd was. We gingen door de juichende dorpen in Overijssel en eindelijk in Steenwijk. Op de Meppelerweg werden we nog even aangehouden door de Binnenlandse Strijdkrachten en ik maar niets zeggen, anders hadden ze mij wel bij de oude kameraden gebracht. Maar op de Kornpuntsingel ben ik uitgestapt en ben de lange dijk naar Wetering gaan lopen. ’s Nachts om een uur of een was ik op het eind van Diep. Daar heb ik een bootje genomen en ben overgevaren. Toen ik naast de pont was, kwam ik nog te vallen. Ik zei tegen mezelf, zou ik hier nu nog bijna verzuipen.
Toen naar ons huis en bij de deur gefloten. Eindelijk ging boven het raam open en de vrouw was daar, toen ze me hoorde, was ze ook het volgende moment beneden, de deur open en drie paar armen had ik om m’n nek, namelijk van m’n vrouw, m’n nicht en een meisje uit Rotterdam, dat al drie jaar bij ons was.
Die ogenblikken vergeet je nooit weer…


Een reactie plaatsen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *