De boswachter uit Boschoord, het verhaal van Lambert ten Oever

Fedde Pruiksma was van jongs af aan geïnteresseerd in de Tweede Wereldoorlog. Hij was gefascineerd door de mooie en persoonlijke verhalen die vooral rond 4 en 5 mei op de televisie te zien waren. Tot hij op een dag besefte: “ik heb ook zo’n verhaal”. Wat volgde was een intensief onderzoek. Wat Fedde in de archieven vond overtrof zijn stoutste verwachtingen.

Wanneer ben je begonnen met het onderzoek naar je opa?

Ik ben begin 2016 gericht gaan onderzoeken. Ik ving af en toe wel wat op dat mijn opa verzetswerk had gedaan en in Neuengamme had gezeten, maar veel wilde hij er nooit over kwijt. Ik was nog maar tien jaar toen hij overleed. De meeste verhalen kwamen van mijn moeder, maar die wist ook niet veel.

Hoe heb je het onderzoek aangepakt?

Ik ben begonnen met het interviewen van mijn tante Diny. Zijn was 9 jaar in 1944 en wist het meeste. Ik heb het gesprek opgenomen en verder uitgewerkt. Daarna ben ik naar het NIOD gegaan. Ik kwam daar onvoorbereid, ik wist toen nog niet dat je thuis via internet al vooronderzoek kon doen. Maar ik werd daar goed geholpen en er kwam al snel, tot mijn grote verbazing, het verslag van mijn opa uit het archief waarin hij zijn oorlogservaringen beschreef. Dat had ik natuurlijk nooit verwacht. Bij het NIOD zag ik ook het archief van de Vriendenkring Neuengamme waarin ik ook veel informatie heb gevonden. Bij een tweede bezoek aan het NIOD vond ik originele foto’s van het kamp Wöbbelin. Later vond ik bij het Nationaal Archief in Den Haag ook nog een verklaring van Lambert over Crackstate dat was opgesteld tijdens het proces tegen de oorlogsmisdadiger Walter Czunzeleit. Ik had nooit verwacht zoveel persoonlijke informatie van mijn opa aan te treffen.

Fedde Pruiksma met de vier dochters van Lambert tijdens de boekuitreiking

Wanneer besloot je om er een boek over te schrijven?

Ik heb het boek geschreven voor mijn familie. Ik wilde niet dat de verhalen verloren zouden gaan. Zij waren er erg blij mee omdat ze veel dingen lazen over hun vader die ze niet wisten. Veel is daardoor voor hen duidelijk geworden. Maar het is misschien ook voor anderen een interessant boek geworden. Daarom probeer ik het nu voor een breder publiek uit te geven.

In je boek beschrijf je ook het verhaal van Johan Brussen. Wie was hij?

Johan was de zwager van Lambert. Mijn tante Diny spoorde me aan om ook zijn verhaal uit te zoeken en op te schrijven. Over hem wist ik ook nog veel te vinden. Hij was tewerkgesteld in Duitsland en werd gearresteerd nadat hij had geprotesteerd tegen de slechte arbeidsomstandigheden. Hij is naar Buchenwald gestuurd en tijdens het dodentransport naar Dachau overleden. Zijn lichaam is nooit gevonden.

Het verhaal van Lambert ten Oever

Hoeve Boschoord

Lambert ten Oever werd in 1909 geboren in Uffelte, een dorp in het zuidwesten van Drenthe. Zijn vader Egbert was een goedzak en stond altijd voor iedereen klaar. Moeder Hendrikje was wat harder. Egbert bezat een aantal hectare grond en enkele trekpaarden. Daarnaast vervulde hij enkele publieke functies wat hem de bijnaam “de burgemeester van Uffelte” opleverde. Egbert was nog maar 56 jaar wanneer hij tijdens een ongeval komt te overlijden. Lambert was toen dertig jaar oud en acht jaar eerder gehuwd met Frederika (Riek) Brussen. De eerste jaren van hun huwelijk waren ze woonachtig in Wehl, waar Lambert werkzaam was bij de Heidemaatschappij. In 1932 werd hun eerste dochter Diny geboren. In 1935 ging Lambert als boswachter werken voor de Maatschappij van Weldadigheid en verhuisde hij met Riek en Diny van Wehl naar Boschoord, een buurtschap in Drenthe aan de grens met Friesland.

De maatschappij van Weldadigheid werd in 1818 opgericht met het doel om armoedige gezinnen, veelal uit de grote steden, te helpen een bestaan als boer op te bouwen. Later werd het accent verschoven van armoedebestrijding naar beheer van cultuur en bosgronden. Het dorp Boschoord is een van de zeven koloniën die door deze organisatie werd gesticht. Het gezin kwam te wonen in een groot huis met de naam “Hoeve Boschoord”. In 1935 werd dochter Henny geboren en daarna werd het gezin uitgebreid met nog twee dochters, Mientje en Eppy. Na het overlijden van vader Egbert nam Lambert zijn jongere broertje Dirk-Jan, dan 15 jaar, op in zijn gezin. Het was een vrolijke boel op Hoeve Boschoord. De kinderen gaan naar de school in Vledder, ook op zaterdagochtend en op zondag was er de zondagsschool. Lambert en Riek waren beide hervormd, maar ze gingen niet vaak naar de kerk. Lambert hield zich niet zo met zijn geloof bezig. Dat veranderde tijdens de oorlog.

Verzetswerk

De eerste oorlogsjaren verliepen rustig. Achter de hoeve stonden een aantal schuren, waaronder een houtzagerij. In het midden bevond zich een soort van grote koker met een lege ruimte. Eromheen lagen hoge stapels gezaagde blokjes hout bestemd voor generatoren. Toen de Duitsers alle radio’s vorderden verstopte Lambert deze voor familie en kennissen in de koker in de houtzagerij. Dit was Lamberts eerste verzetsdaad. Maar het was niet zonder gevaar. De blokjes hout werden ook weleens door de Duitsers gevorderd die ze met vrachtwagens ophaalden. Lambert moest dan als de sodemieter gaan zagen om de koker weer gevuld te krijgen zodat de radio’s niet in het zicht kwamen. Dit kleine verzet nam steeds grotere vormen aan. In 1943 nam het gezin ten Oever voor het eerst een onderduiker in huis. Het was de heer Wittebol uit Den Haag. Later dat jaar verbleef er nog een Haags gezin bij de familie Ten Oever en kwamen er steeds meer onderduikers. Tegenover Hoeve Boschoord lag een enorm bosgebied. Boswachter Lambert kende het bos op zijn duimpje en hij maakte er een grote schuilplaats, een zogenoemde onderduikershol. Daar gingen de onderduikers iedere avond naar toe. Overdag werkten ze, als het veilig was, met Lambert op het land. Als Riek de witte lakens uit het slaapkamerraam liet hangen, was dat een teken dat er onraad was.

Eind 1943 namen de verzetsactiviteiten in het Fries-Drentse grensgebied toe. Er kwam meer contact tussen de verzetsmensen in Vledder, Diever en Noordwolde. Lambert werd lid van de lokale Knokploeg, onder leiding van wachtmeester Hermanus Dikkers en commandant Jacob Vinke. De omvangrijke bossen bij Boschoord en Diever boden mogelijkheden om personen en wapens te verstoppen. In de zomer van 1944 werd de Binnenlandse Strijdkrachten (BS) afdeling Noordwolde opgericht. Deze kreeg wapeninstructies van een voor dat doel in het gebied gedropte Nederlandse officier, luitenant De Koning. Er werden wapens gedropt en Lambert kreeg de opdracht deze te verstoppen in een schaftkeet. Dat was niet het enige wat Lambert verstopte. De auto van dokter Verdenius, die door de KP gebruikt werd voor overvallen en dergelijke, werd ook verstopt in een van de vele schuren. Het gezin ten Oever werd in 1943 verder uitgebreid met de geboorte van Egbert.

Verdriet

Oudejaarsdag 1944 verliep voor het gezin dramatisch. Egbert, nog maar een jaar oud, kreeg een aanval van kroep en kwam te overlijden. Het was een vreselijke gebeurtenis voor het gezin, er heerste groot verdriet. De begrafenis werd gepland op 5 januari 1945. Wat Lambert toen niet wist is dat enkele weken daarvoor Roelof Veen door de Duitsers was opgepakt op verdenking van de moord op smid Meindert Land in Nijeberkoop. Tijdens zijn verhoor noemde Roelof vele namen, waaronder die van Lambert. Door de verklaringen van Roelof organiseerden de Duitsers twee grote razzia’s in en rondom Noordwolde en Diever. De tweede razzia vond plaats op 3 januari. Die dag zat het gezin Ten Oever, nog vol van verdriet, aan het einde van de middag te eten. Plotseling sloeg de hond aan en werd er hard op de deur gebonsd. Lambert deed de deur open waarna met veel geweld soldaten het huis in stormden. Alles werd onderzocht, maar door het overlijden van Egbert waren er op dat moment geen onderduikers in huis. Ze wilden zelfs het kistje openbreken waar Egbert in lag opgebaard, maar dat wist Riek te voorkomen door in haar woede een van de soldaten aan te vliegen. Lambert en Riek werden nog verhoord, maar zwegen, waarna de militairen vertrokken. Het werd Lambert te heet onder zijn voeten en hij wilde onderduiken. Maar eerst moest Egbert worden begraven. Dat liep echter anders. Op de terugweg naar huis werd hun koets omsingeld door Duitsers. Lambert werd meegenomen naar zijn huis. Daar zag hij dat de Duitsers alles hadden onderzocht en de auto van Verdenius hadden gevonden. Lambert werd meegenomen in een vrachtauto. Als dochter Diny afscheid wil nemen van haar vader wordt ze hardhandig in haar gezicht geslagen.

Door de twee razzia’s waren ondertussen veel verzetsmensen uit de omgeving opgepakt. Thijs Menger, dokter Verdenius, Jan Beugeling, Bertus Beugeling, veearts De Boer, Yme Krips, Auke Faber en Johan van Leenhoff, directeur van de Maatschappij van Weldadigheid waar Lambert voor werkte. De arrestanten werden verzameld in de ULO school aan de Oosterstreek naar Noordwolde waarna ze werden vervoerd naar de beruchte gevangenis Crackstate in Heerenveen. Lambert, die later was gearresteerd, werd rechtstreeks naar Crackstate gebracht. Hij zat daar van 5 januari tot 28 februari waarbij hij lichamelijk en geestelijk zwaar werd mishandeld. Dokter Verdenius kon de ontberingen niet aan en pleegde op 44-jarige leeftijd in zijn cel zelfmoord.

Neuengamme

Op 28 februari werd Lambert overgebracht naar Kamp Amersfoort. Na iets meer dan twee weken werd hij op 16 maart 1945 met het laatste transport van Amersfoort naar Neuengamme gebracht. Lambert schreef daar in 1947 over: “Wij werden daar ’s nachts in stenen kelders gebracht, waar we een uur in zijn gebleven. Toen werden we in groepjes van 25 man eruit gehaald en naar het waslokaal gebracht, waar we geschoren en gewassen werden. We kregen ook andere kleren aan, namelijk oude kledingstukken van allerlei soort. Ik kreeg een Russisch jasje. (…) De appels vond ik in Neuengamme wel het ergste. Dan stonden we weer één, dan weer twee uur en soms wel langer in de regen. Als gevolg hiervan en ook mede door de slechte voeding en ligging begon onze groep al gauw te minderen”.

Lambert zou Neuengamme weer snel verlaten. Hij werd overgebracht naar Porta Westfalica, een buitenkamp van Neuengamme. De gevangenen moesten bouw- en renovatiewerkzaamheden uitvoeren op het terrein en werkten ook in de reparatiewerkplaats of de grindgroeve. Tot Paaszondag zijn ze in dat kamp gebleven. De nacht daarvoor werden ze uit de barakken geslagen waarna ze tijdens het appel te horen kregen dat de geallieerden in aantocht waren en dat ze aan hen zouden worden overgeleverd. De gevangenen vlogen elkaar om de hals en begonnen te zingen. Maar er gebeurde die dag niets en ’s nachts werden ze in een treinwagon geladen. De eindhalte was Schandelah, een kamp dat onder leiding stond van de oliemaatschappij Steinöl. Dit kamp bestond begin april 1945 uit ongeveer 1300 gevangenen die gedwongen werden een experimentele fabriek op te zetten om petroleum te extraheren en te verwerken voor de Duitse oorlogsindustrie. Lang duurde hun verblijf daar niet. Op 10 april werden de gevangenen van Schandelah in goederenwagons via Magdeburg, Stendal en Wittenberge naar kamp Wöbbelin gebracht. De trein arriveerde daar op 13 april, maar de gevangenen moesten nog twee dagen in de wagons doorbrengen voordat ze het kamp in mochten. Deze was al overvol en voedsel en andere benodigdheden ontbraken. Volgens berekeningen van voormalige gevangenen overleefden maar 200 van de 1300 gevangenen uit Schandelah het kamp Wöbbelin. Het kamp werd door de 82nd US Airborn Division bevrijd.

Overlevenden van kamp Wöbbelin

Bevrijding

Om 2 uur dezelfde dag zijn we bevrijd. Ik was toen heel zwak, maar niet ziek. Mijn bekenden zijn uit het kamp weggetrokken en ik bleef alleen achter, waarop ik me bij andere Nederlanders, die ook afkomstig Drenthe kwamen, heb aangesloten. Hier was Hadders bij uit Beilen, de directeur van de Boerenleenbank. Ook na de bevrijding zijn er nog ontzettend veel mensen overleden, vooral omdat de medische verzorging in het begin heel slecht was.

Lambert ten Oever

Riek herkent haar man niet meer wanneer hij op 18 mei 1945 thuis komt. De kinderen liggen al op bed als hij ’s avonds thuis wordt gebracht. Van de brede, statige man was niets meer over. Hij was sterk vermagerd en haast onherkenbaar. De kinderen werden wakker en renden naar beneden, helemaal door het dolle heen. Dochter Diny beschreef haar vader als een wandelend lijk. Hij ging totaal uitgeput op bed liggen. De volgende dag kwamen er maar liefst 108 mensen om Lambert te zien. Toen huisarts Bijstant op bezoek kwam riep hij meteen: “en nu is het afgelopen! Hij stuurde iedereen naar huis. Lambert ging zienderogen achteruit. De kracht verdween langzaam uit zijn geest en lichaam. Geleidelijk kwam hij er weer bovenop. Lambert wist zijn leven weer op te pakken maar had veel moeite gekregen met het accepteren van autoriteit. Het was voor hem een reden om een houthandel op te zetten in Dwingeloo, die hij uit wist te breiden tot een succesvol bedrijf. Over de oorlog werd niet meer gepraat. Dat lag te gevoelig. Wel beschreef Lambert, zonder dat zijn dochters het wisten, zijn kampervaringen voor het Afwikkelingsbureau Concentratiekampen.

Lambert en zijn vrouw Riek een paar maanden na de bevrijding

Lambert Ten Oever overleed in 1977 in zijn woonplaats Dwingeloo.

Geschreven door Erik Dijkstra, gepubliceerd in het bulletin van de Vriendenkring Neuengamme, maart 2018

Print Friendly, PDF & Email

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.